Ik schrijf dus ik besta
Home » Alledag » Carla

Carla

Gepubliceerd op 6 januari 2014 11:38

“Ze heet Carla en ze steelt en ze liegt en bedriegt,” zegt de straatnieuwsverkoopster. Zo, dat is klare taal. Ik heb net twintig euro gedoneerd aan Carla. Ze staat bij de ingang van de Albert Heijn te huilen met een grote zeemanshopper waar een paraplu uitsteekt aan haar arm, haar enige bezittingen volgens eigen zeggen. “Ik ben zwanger.” Ze tilt ter illustratie haar jas op en ik zie een bolle buik. Ik heb geen idee of het echt is, of dat ze alleen maar opgeblazen ingewanden heeft. “En ik heb nergens plek om te slapen. Ik heb al vijf nachten buiten geslapen. Geen oog dicht gedaan. En ik ben zo moe. Zo moe.”

Uit haar blauwe ogen blijven de tranen maar stromen, alsof ze ergens een kraantje open heeft gedraaid, dat ze niet meer dicht kan doen. Ze komt steeds dichter tegen me aanstaan in een aandoenlijke aanhankelijkheid. “En nu kan ik terecht bij een slaaphuis, maar dan moet ik 14 euro hebben. Kunt u me alsjeblieft helpen.” Ik sta in tweestrijd. Ik weet dat het niet slim is om zomaar geld te geven. Waarschijnlijk is ze verslaafd en verdwijnt het geld, als ik het geef, rechtstreeks in de zakken van een dealer. Het is of ze mijn gedachten kan lezen. “Ik ben niet verslaafd. Kijk maar naar mijn ogen. De ogen van een verslaafde zien er heel anders uit.” Ik zeg dat ik daar geen verstand van heb. “Het gaat me niet om mezelf,” zegt ze. “Maar om mijn kind. Als ik dood ga, dat maakt me niets uit. Maar dat kind is onschuldig. Bent u wel eens zwanger geweest?” Ik knik. Nu trekt ze niet alleen haar jas omhoog, maar ook haar shirt en hemd. “Is dit normaal?” vraagt ze me. Ik staar naar een bloederige navel die onder de korsten zit. “Doe maar weer naar beneden,” zeg ik. “Dat ziet er niet goed uit. Daar moet je naar laten kijken.” “Nou zegt u het zelf,”zegt ze en plotseling is de tranenkraan dichtgedraaid. Met droge ogen kijkt ze me aan. “Daar kan ik toch niet zo mee blijven lopen? Bij die slaapplek hebben ze ook goede medische zorg. Alles wat ik van u vraag is een beetje geld zodat ik kan blijven slapen. Het is maar voor drie dagen. Dinsdag word ik opgenomen in Altrecht. Dan hoeft het niet meer.” Altrecht is het psychiatrisch ziekenhuis in het centrum van Utrecht. “Waar is dat slaaphuis dan?” vraag ik. “Op de laan van Nieuw Guinea. Weet u waar dat is?” Ik weet inderdaad waar de laan van Nieuw Guinea is, helemaal in Lombok, niet bepaald om de hoek. Ik vraag haar waarom ze niet in het snurkhuis gaat slapen, in het centrum van Utrecht, dat is veel dichterbij. “Tussen al die zwervers en junks. Ik ben niet gek,” zegt ze. “Ik schaam me al dood dat ik moet bedelen om geld. Dat heb ik nog nooit gedaan.” Ik maak opnieuw een afweging. Is het verhaal dat ze verteld waar of niet waar? Daar kan ik natuurlijk op dit moment niet achter komen. Ik besluit te doen wat mijn hart me ingeeft. Als ze het uitgeeft aan drugs, dan besteedt ze mijn geld aan iets waar ze niet bepaald beter van wordt, maar aan de andere kant heeft ze vandaag dan voor een keer minder lang hoeven schooieren om het geld voor haar dagelijkse dosis bij elkaar te scharrelen. Dat is ook wat waard, al verdient dit doel niet de liefdadigheidsprijs. Ik pak mijn portemonnee en wil haar vijftien euro geven, maar kleiner dan twintig heb ik niet. Even schiet het door me heen haar te vragen of ze kan wisselen, maar dat is natuurlijk een rare vraag aan iemand  die bedelt. Haar ogen flitsen naar de inhoud van mijn portemonnee. “Twintig euro vind ik ook goed, hoor,” zegt ze bij de hand. Ze houdt haar hoofd meisjesachtig schuin, haar grote oorbellen klingelen zachtjes. Ik geef haar twintig euro en druk haar op het hart zo snel mogelijk naar het slaaphuis in Lombok te gaan. “Ja, ja,” zegt ze. “Een vriendin van mij komt me zo ophalen.” “Echt doen, hoor,” zeg ik nog een keer en ik hoor hoe knullig het klinkt. Zij wijst naar de straatnieuwsverkoopster die achter de glazen schuifdeuren in de hal van de Albert Heijn op haar vast plekje haar kranten staat te verkopen. “Dat is mijn vriendin,” zegt ze. “Ze heeft voor me gebeld. Ze komen me zo halen.” Dat had ze nou niet moeten zeggen. Nu zit het liedje van de Amerikaanse singer-songwriter Napoleon XIV in mijn hoofd. They’re Coming to Take Me Away Ha-Haaa!  Ze doet een stap naar mij toe en omhelst me: “U bent een goed mens.” Ik voel me op dat moment helemaal niet goed, maar vooral naïef. Als ik even later met mijn gevulde boodschappentas de straatnieuwsverkoopster passeer kan ik het toch niet laten even te informeren of ze daadwerkelijk voor haar vriendin heeft gebeld of ze haar komen halen. De vrouw staat inmiddels bij de Blokker voor de deur te graaien in de manden met  aanbiedingen.

“Mijn vriendin?” schampert ze. “Dat is mijn vriendin niet. Ik zag net dat ze u aanklampte en ik heb nog geaarzeld of ik u moest waarschuwen. Ze heeft zeker verteld dat ze zwanger is en dat ze buiten moet slapen?”

Ik knik.

“Niets van waar. Ze heeft de mensen van de Blokker twee weken geleden verteld dat ze zwanger was. En een dag later, was ze het kind verloren, en nu is ze weer vijf weken zwanger Ra, ra, hoe kan dat? En ze hoeft helemaal niet buiten te overnachten. Ze slaapt in een hostel, hier vlakbij. Haar vriend stuurt haar uit om te bedelen. Omdat ze zo goed kan huilen.”

Daar heb ik niet van terug.

“Net viel ze ook al een meneer die altijd een krantje bij me komt kopen lastig. Die zei: ‘Waarom ga je geen straatnieuws verkopen, net als deze mevrouw?’ Zegt ze doodleuk: ‘Ik krijg maandag een pasje van straatnieuws. Dan ga ik ook kranten verkopen. Maar dat kan helemaal niet. Het kantoor van Straatnieuws geeft pas in januari weer pasjes uit. Ze hebben het helemaal niet op die figuren die alleen maar met kerst en oud en nieuw kranten gaan verkopen, omdat je dan meer verdient, omdat de mensen vrijgeviger zijn.’” Zo krijg ik even een klein inkijkje in de keuken van de straatnieuwsverkooplogica.

Ze werpt een afkeurende blik op de vrouw met de zeemantas. “Zag je net dat ze die oranje sjaal uit die Blokkerbak in haar tas deed?” Ik heb het niet gezien. “Doe mij maar een straatnieuws dan,” zeg ik. De boze frons verdwijnt van haar voorhoofd en ze kijkt me stralend aan. “Hij is net nieuw,” zegt ze. “Dus ik heb hem zelf nog niet eens gelezen.” Inmiddels heeft Carla met haar zeemanshopper als een schild voor haar buik, een meisje aangeklampt. De tranen lopen weer over haar wangen. Ik vraag me af hoe ze dat toch doet. Het is een talent, waarmee ze het op het toneel nog ver had kunnen schoppen. Nu heeft ze de ingang van de Albert Heijn tot haar toneel gemaakt, waar ze als een volleerd kleinkunstenaar één op één voorstellingen verzorgt voor argeloze voorbijgangers. Ze doet het met verve, ze doet het met heel haar hart, ze doet het met passie. Op een andere plaats op een ander moment in een andere wereld, was ze een ster geweest. Nu schittert ze eenzaam in de Nachtegaalstraat. Als ik terugfiets naar huis vraag ik me af of ik me nou bedrogen moet voelen of niet.

Geplaatst door Margriet Hogeweg


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.