
Het was een heel vreemde dag vandaag. Maar eigenlijk begon het eergisteren al. Twee bouwvakkers belden veel te vroeg in de ochtend bij ons aan. Op een tijdstip dat een normaal mens nog in bed ligt. Maar ja. Daar konden zij ook niets aan doen. Het was nu eenmaal zo afgesproken. Ze kwamen onze hal en onze gang een opknapbeurt geven. Alle bejaarde, marmeren vloertegels moesten eruit. Ze braken muren weg en drilden vloertjes kapot met angstaanjagend uitziende boren, waar een tandarts een moord voor zou plegen. Het was een herrie dat horen en zien je verging. En enorme stofwolken dreven door ons huis. Af en toe kroop ik achter mijn computer vandaan en wierp voorzichtig een blik van bovenaan de trap naar beneden. Het leek wel of er een bom was ontploft. Over een loopplank reden de bouwvakkers kruiwagens vol puin naar buiten dat ze in een container stortte die pal bij ons voor de deur staat. Met hun helmen en stofmaskers op en met hun witbestoven gezichten zagen ze eruit als hulpverleners op een rampplek.
Na een dag was het ergste sloopwerk voorbij. Maar daarna moesten ze nog bijna een halve meter grond weggraven. Dat deden ze de volgende dag. De hal in ons huis begon steeds meer op een loopgraaf te lijken. Elke keer als ik koffie wilde halen in onze keuken moest ik vanaf de trap, die onderaan inmiddels boven de vloer zweefde, in een steeds dieper gat naar beneden springen. En aan het einde van de gang moest ik weer naar boven klauteren. Ik voelde me op survival in mijn eigen huis. Toen ik terugkwam met koffie voor de bouwvakkers en mijzelf, zag ik dat een van hen stond te harken, als een tuinman in het plantsoen.
‘Even de grond egaal maken,’ legde hij uit, toen hij mijn verbaasde blik zag.
‘Ik pak zo de bloembollen wel even,’ zei ik. ‘Kun je die gelijk daar in de grond stoppen. Hoef ik dat niet meer te doen’
De bouwvakker grijnsde om mijn grapje.
‘Zou toch leuk zijn,’ zei ik. ‘Een gang vol krokusjes en narcissen.’
‘Ja,’ grinnikte hij, met een eigenaardige glans in zijn ogen. ‘Dat zou nou leuk zijn.’
Vanmorgen vroeg liep ik met een slaperig gezicht de trap af naar de hal beneden. Het was nog een beetje schemerig. Ik wilde net een sprong in het duister wagen, toen ik beneden mij iets zag. Iets kleurigs. Het leken wel…. Maar nee. Dat kon niet waar zijn. Ik moest dromen. Ik liep naar het stopcontact waar de stekker van de bouwlamp naast bungelde. Ik stopte de stekker in het stopcontact. Plotseling baadde de gang baadde in een oogverblindend wit kunstlicht. Verbijsterd keek ik naar de grond. Ik wist dat het niet waar kon zijn, maar toch logen mijn ogen niet. Een gang vol lente aan mijn voeten. Krokusjes en narcissen bloeiden tussen het puin. Wie durft er nu nog te zeggen dat bouwvakkers geen tovenaars zijn?
donderdag, 31 maart 2011 07:55 Laatst aangepast op donderdag, 08 september 2011 15:18





