donderdag, 08 september 2011 15:10 Laatst aangepast op donderdag, 08 september 2011 17:12

Op wat misschien wel de laatste mooie dag van het jaar was, kreeg ik van de tijd zomaar ineens een uurtje vrij cadeau. Ik wist meteen wat ik ermee ging doen. Naar buiten. De zon in. Op de fiets. Ik woon aan de rand van de stad en als ik een beetje door trap kan ik binnen tien minuten tussen de koeien fietsen. ‘Waarom doe ik dit zo weinig?’ vroeg ik me zelf verwijtend af terwijl ik naar boven keek waar witte wolkschotsen ronddreven in een zeeblauwe lucht. En het was alsof ik de populieren langs de kant van de weg mijn vraag fluisterend hoorde herhalen. ‘Ja, waarom zien we je zo weinig?’ Alsof het landschap om mij heen het mij kwalijk nam, dat ik het al zo lang niet had bekeken. Hoe lang eigenlijk wel niet? Dat kon wel een zomer en een lente geleden zijn. Nu krijg ik heus wel vaker een uurtje vrij cadeau van de tijd. Maar meestal voel ik me dan verplicht iets zogenaamds nuttigs te gaan doen. Zoals mijn mailbox legen en e-mails beantwoorden. Of stofzuigen. Behalve ikzelf is er niemand die mij vraagt dit te doen. Ik zou natuurlijk heel goed tegen mezelf kunnen zeggen: ‘Nee, hoor, je hoeft helemaal niet per se nu te stof zuigen. Het stof heeft er geen enkel probleem mee nog wat rond te hangen op de vloerbedekking. En de vloerbedekking vindt het ook best oké om zich nog even te verstoppen onder het stof.’ Maar meestal kom ik niet op het idee dat tegen mezelf te zeggen. Ik vergeet domweg dat ik mezelf best tegen mag spreken. Het ontgaat me dat niemand daar slechter van wordt. Dus meestal zit ik voor ik er goed en wel erg in heb gehoorzaam achter de computer of wandel ik achter de stofzuiger en gooi mijn kostbare uurtje vrij over de balk. Maar die dag dus niet. Die dag fietste ik me daar zomaar ineens langs een weiland waar een kudde roodbont en zwartbont gevlekte koeien heel gezusterlijk in de vorm van een ovaal eiland dicht op elkaar gepakt in het groene gras op een kluitje lag te liggen. ‘Waarom doen die koeien dat?’ vroeg ik mezelf af. ‘Het is niet uitgesproken koud. Het waait niet overdreven hard. Waarom zo samenklitten, terwijl er een zee van ruimte is, waar iedere koe heerlijk op zichzelf kan staan?’ Maar misschien zegt deze vraag meer over mijzelf dan over die koeien. Misschien laat die vraag zien dat ik er niet zo van houd met anderen samen te klitten. Dat ik graag op mezelf ben met genoeg space om mij heen.
Ik reed over de fietsbrug die de A-27 kruist. Het verkeersgeruis onder mij deed niet onder voor de branding van de eerste de beste oceaan. Maar even later bevond ik me al weer midden in de stilte tussen twee groene muren, gevormd door elzenhagen. Daarachter boomgaarden vol fruit. Ik hoorde een haan opgewonden kraaien. In de verte zag ik het maïs al weer manshoog oprijzen. En het leek net of ik de enige op de wereld was die vanmiddag een uurtje vrij cadeau had gekregen en het had uitgepakt op de fiets, in de zon, weg van de stad, die mij overigens zeer lief is. Daar kwam in de verte een landbouwwerktuig aan. Immens groot en rood. Met zijn sprieten, haken en ogen aan alle kanten had het wel wat weg van een UFO die in een onbewaakt ogenblik dit stukje aarde kwam verkennen. De boer, hooggezeten op zijn uit de kluiten gewassen stalen ros, was een alien gelijk. Ik kreeg niet de indruk dat hij mij, nietige aardling, zag fietsen, daar laag bij de grond. Maar dat was geen enkel probleem voor mij. Soms is het fijn om niet gezien te worden. Bijvoorbeeld als je een uurtje vrij, dat je zomaar van de tijd cadeau hebt gekregen, helemaal in je eentje schaamteloos aan het opsmikkelen en –smullen bent.







